Faalangst

1. Wat is faalangst?


Buikpijn, vlinders in de maag, zweten, misselijkheid en hoofdpijn bij bijvoorbeeld het maken van een toets De veroorzaker: het monstertje "faalangst" dat weer is losgeslagen in het hoofd.
Faalangst is een speciale vorm van angst die kan voorkomen in (taak)situaties waarin prestaties verlangd worden. Faalangst is een heel normaal en wijdverbreid verschijnsel. Iedereen kan zich er wel wat bij voorstellen, want het komt bij iedereen (in meer of mindere mate) voor. Kun je faalangst niet goed hanteren en heb je er last van, dan spreken we van negatieve faalangst. Je gaat dan onder je niveau presteren. Dit kan zo negatief uitpakken dat het een negatieve invloed op iemand heeft.

Ongeveer tien procent van de leerlingen heeft last van faalangst. Met faalangst bedoelen we niet de normale angst die iedereen kent en ook nodig heeft om prestaties te leveren en dingen te durven. Deze natuurlijke angst is een reactie van ons lichaam op dreigend gevaar. Dit kan heel positief werken: een gezonde portie spanning, bij een toets net zo goed als een sportwedstrijd, maakt dat je alerter, prestatiegerichter, strijdvaardiger bent. Men noemt dit dan ook positieve faalangst. Maar angst kan ook zo negatief zijn dat het iemand geheel blokkeert. Het zorgt ervoor dat je niet meer helder kunt denken: je geheugen loopt vast of je gooit alles door elkaar, je denken wordt chaotisch of je klapt volledig dicht. De angst kan dan zo hoog oplopen dat je niet meer goed kunt functioneren. Deze angst, de angst om te falen, noemen we (negatieve) faalangst.


De omgeving van het kind heeft grote invloed op de ontwikkeling van het kind. Het vertelt het kind of het een prettige wereld is, of juist een onveilige wereld waar je bang voor moet zijn. Wanneer een kind opgroeit in een gezonde, warme omgeving ontwikkelt het kind een positief zelfbeeld. Als het kind een negatief zelfbeeld heeft, zit het niet lekker in zijn of haar vel. Faalangstige kinderen hebben vaak een negatief beeld van zichzelf.Een negatief zelfbeeld staat de gehele ontwikkeling in de weg.

Als het kind regelmatig negatieve ervaringen opdoet, heeft dit invloed op het zelfbeeld van het kind. Deze zijn bepalend voor hoe men zich doorgaans voelt en hoe men de eigen omgeving, taak, toekomst en anderen tegemoet treedt. Dus hoe je jezelf ziet en hoe je je eigen mogelijkheden en beperkingen ervaart. Hoe iemand zich voelt, bepaalt de manier van zijn of haar handelen. Het kind kan dan een negatief beeld van zichzelf ontwikkelen en kan in een negatieve cirkel terecht komen. De leerling let dan alleen nog maar op de negatieve zaken. De positieve ervaringen worden niet eens meer gezien en als ze al gezien worden, worden ze niet toegeschreven aan zichzelf maar aan het toeval. "Tunneldenken" zou je dit kunnen noemen. Nadat het kind vele keren een mislukking heeft moeten ervaren gaat het kind denken: "Ik kan het toch niet".

Bij het op zoek gaan naar de oorzaken van faalangst is het belangrijk om na te gaan wat de oorzaken zijn van het probleem. Ligt de oorzaak in het gezin of moet de oorzaak gezocht worden op de prestatiegerichte school. De cultuurverschillen spelen een secundaire rol. In de eerste plaats gaat het om de leerling als individu: hoe is het zelfbeeld van het kind, wanneer en in welke situaties is het faalangstig etc. Pas wanneer dit beeld onvoldoende houvast geeft, kan het zinvol zijn cultuurverschillen in ogenschouw te nemen. Als men weet wat waarom het kind faalangstig is, kan het probleem beter aangepakt en geaccepteerd worden.

Terug naar begin

Kenmerken.

Cognitieve, sociale en motorische faalangst uiten zich op verschillende manieren. In de klas zijn het niet alleen onderpresteerders, maar ook zijn het regelmatig de kinderen die juist erg perfectionistisch zijn. Ze mogen van zichzelf geen fouten maken of geen lager cijfer halen dan een acht. Natuurlijk zijn er ook kinderen die hun onzekerheid tonen door alles nog een paar keer te komen vragen en steeds willen horen of ze op de goede weg zijn. Die herken je het makkelijkst als faalangstig. Andere kinderen doen erg lang over om aan hun werk te gaan, ze hebben een sterke voorkeur voor bekend en makkelijk werk en mijden nieuwe taken. En weer andere kinderen maskeren hun foutengedrag door bijvoorbeeld clownesk gedrag te vertonen of overdreven brutaal te doen. Kortom: faalangst uit zich in vele vormen. Soms in een veelvoud van gedragsveranderingen. Dit maakt het voor de leerkracht niet eenvoudig. Een signaleringslijst als hulpmiddel kan de leerkracht op weg helpen.

Het goed observeren van het gedrag van de leerling en het opvangen van bepaalde signalen is dan ook van groot belang. Het levert een veelheid van gegevens op, die nodig zijn voor de begeleiding.

Het diagnoseren van faalangst

Belangrijk is om eerst een zorgvuldige diagnose te laten plaatsvinden voordat er met de begeleiding wordt begonnen.De vraag die dan gesteld wordt is: hoe komt het dat deze leerling faalangstig is? Heeft hij of zij vroeger vervelende ervaringen opgedaan met bijvoorbeeld een bepaald vak? Is het de omgeving die invloed heeft gehad op het kind? Etc.

Aan de hand van observatiegegevens kan er een handelingsplan voor de leerling worden opgesteld.

Voorzichtigheid bij het stellen van de diagnose blijft geboden. Een nauwkeurige omschrijving van faalangst voorkomt dat het als verklaring wordt gegeven voor andere problemen. Faalangst is tenslotte geen etiket dat per definitie op bepaald gedrag geplakt kan worden. Als het duidelijk is dat de leerling faalangstig is, kan er overgegaan worden op de begeleiding.

Het voorkomen en behandelen van Faalangst

Van belang is dat het faalangstige kind weer een positief beeld van zichzelf opbouwt. Daarnaast is het voorkomen van faalangst (het behouden van een positief zelfbeeld) heel belangrijk. Het begeleiden en het voorkomen van faalangst is geen makkelijke taak. Het vereist tijd en geduld. De tijd is vooral nodig omdat de begeleiding uitgaat van verschillende onderwerpen die met elkaar het fundament vormen. De auteur Resi van der Hal laat twee onderwerpen in haar tekst naar voren komen:

 

  • De strategie van geleidelijkheid
  • De behoeften

Omdat ik dit "fundament"niet volledig vond, heb ik een onderwerp aan het fundament toegevoegd:

Het pedagogisch klimaat

Dit zijn de drie meest wezenlijke eigenschappen die nodig zijn voor de begeleiding en ook het voorkomen van faalangst. Zij geven in grote lijnen het fundament weer waarmee praktisch gewerkt kan worden om faalangst te verminderen.

Wat heb ik in de klas gedaan om faalangst te voorkomen aan den hand van het pedagogisch klimaat?

De basis van zo´n klimaat zal opgebouwd moeten worden uit een goede relatie tussen leerkracht en kind Ik heb geprobeerd om een leerkracht te zijn die tolerant, respectvol, structurerend en aanvullend ten opzichte van kinderen is. Ze moeten het gevoel hebben dat ze serieus worden genomen. Ik vind het belangrijk om achter het gedrag van het kind steeds het kind zelf te kunnen zien. Dit betekent dat ik probeer te reageren op het kind en niet op de symptomen, niet op uiterlijk gedrag. Het kind moet zich veilig voelen, het moet voldoende affectie krijgen om zich zo te voelen.

Waar ik ook veel waarde aan hecht is het volgende: wat leeft er bij de kinderen, wat houdt hen bezig? Hier kun je als leerkracht op in spelen. Je kunt het laten terugkeren in je lessen. Toen het knikkertijd was bij ons op school, heb ik een aantal rekenlessen gegeven met behulp van knikkers. Een taalles over gezichtsuitdrukkingen werd heel boeiend en duidelijk met behulp van Pokémon- kaarten, geliefde spelkaarten met figuurtjes voor kinderen.

Behalve de relatie tussen leerkracht en kind, zijn er ook andere factoren belangrijk voor en goed pedagogisch klimaat in de klas.

De tijdsfactor Mijn mening is dat kinderen goed hun eigen inbreng kunnen hebben. Het nemen van initiatieven is goed voor het opbouwen van een positief en realistisch zelfbeeld. Ook komt het de sfeer in de groep allen maar ten goede.

De ruimtefactor Ook de inrichting van het lokaal kan een bijdrage leveren aan het klimaat in de klas. Een gezellig ingericht lokaal straalt meer warmte en veiligheid uit dan een klaslokaal met kale muren. Tekeningen van kinderen, posters die kinderen aanspreken, bordtekeningen, gemaakte werkjes, vrolijke gordijnen, schilderingen op het raam etc.

De prestatiefactor Van het ene kind verwacht ik meer dan van het andere kind in de groep. Je houdt rekening met de verschillen die er zijn: verschil in niveau, interesse, tempo, begaafdheid en ga zo maar door. De benadering naar elk kind is dan ook anders. Een kind dat moeite heeft met rekenen en er na veel zwoegen twee fout in maakt, krijgt van mij twee stickers. Een snelle leerling, die er weinig moeite voor heeft gedaan en twee fouten in het werk heeft, krijgt geen sticker. Ook geef ik de zwakkere leerlinge extra hulp als dat nodig is. De verschillen tussen de leerlingen komen tot uiting in benadering, omgang, beoordeling en hulp.

Een Voorbeeldproject Een student vertelde mij eens over "het duimenproject". Dit project sprak mij aan. Alle kinderen in de groep kregen een groot vel papier waar 15 "duimen- stickers"op geplakt konden worden. Als je goed je best had gedaan, een ander kind goed had geholpen, die moeilijke sommen met veel moeite toch had afgekregen etc. kreeg je van de juf of meester een sticker met een grote duim er op. Omdat zo"n duim toch iets heel bijzonders moest zijn, werden er maar maximaal drie duimen uitgedeeld. Als het kind een vol stickervel had, werd hij of zij "de kei van de klas". De kei van de klas mag de juf of meester helpen met schriften uitdelen, de planten water geven, werkjes ophangen, vegen etc. Dit werkte heel stimulerend, het positieve werd beloond. Het werkte zelfs zo goed, dat ouders het thuis ook gingen invoeren.

De Groepsfactor De kinderen in de groep heb ik regelmatig met elkaar laten samenwerken. Dit ging niet altijd even goed, er ontstonden hier en daar wel eens wat irritaties. Ik ben van mening dat het samenwerken steeds beter gaat naarmate je het vaker invoert. Een vaste middag in de week met bijvoorbeeld daaraan gekoppeld een zelfstandige opdracht, bevordert het samenwerkingsproces.

De strategie van geleidelijkheid

Het faalangstige kind heeft veel behoefte aan zekerheid en duidelijkheid en hierop zal ingespeeld moeten worden. Niet alleen de onderwijssituatie moet worden aangepast, maar er moet ook in het kind zelf een verandering komen. De begeleiding die de leerkracht biedt moet zodanig zijn dat het kind geleidelijk aan tot meer zelfontplooiing kan komen. Het kind moet de omgeving weer zelf leren hanteren als de zelfstandigheid gegroeid is en zij of hij een positiever beeld heeft van zichzelf. De "strategie van geleidelijkheid" helpt het kind om een kind te worden met een positiever of positief zelfbeeld en zelfstandigheid die de omgeving weer kan hanteren.

Een voorbeeld van een leerling die faalangst vertoont met betrekking tot het praten in een kring. De strategie van geleidelijkheid houdt dan het volgende in:

 

  • Fase 1: Het kind hoeft niets te vertellen maar mag alleen luisteren
  • Fase 2: Het kind mag de vragen van de leerkracht met ja of nee beantwoorden
  • Fase 3: Het kind mag proberen om een klein zinnetje te zeggen
  • Fase 4: Het kind mag proberen om twee verschillende zinnen te zeggen.

Dit alles moet zeer geleidelijk gaan met een duidelijke mate van structuur erin aangebracht.

Terug naar begin

3. Mogelijke oplossing

Een faalangstig kind heeft een aantal behoeften, waar je als leerkracht op in kan springen. Deze behoeften moeten weer zodanig in het onderwijs aanwezig zijn, dat het kind hierdoor een positiever zelfbeeld ontwikkelt zonder direct afhankelijk te zijn van de behoefte. Deze behoeften kunnen in kleine stappen worden aangeboden zodat het faalangstige kind stap voor stap tot een oplossing kan komen.

Het kind heeft:
 

  • Behoefte aan overzichtelijkheid

    angstige leerlingen hebben een opvallend sterke behoefte aan overzichtelijkheid. De taak of opdracht die zij verrichten, moet voor hen in kleine stappen zijn onderverdeeld. Zij moeten als het ware stap voor stap tot de oplossing worden gebracht. Zij hebben een afkeer van onverwachte nieuwe situaties. Zij zijn erbij gebaat doelen te krijgen die voor hun niet te gemakkelijk maar ook niet te moeilijk zijn. De leerkracht kan daarbij gebruik maken van "praatplaten". Vooraf wordt er gekeken welke verwachtingen de leerling heeft van de taak of uitvoering (de praatplaten worden erbij gepakt). Na afloop van een taak wordt er stilgestaan bij de inschatting die de leerling gemaakt had (de praatpapieren worden erbij gepakt). Er wordt gekeken waaraan het toe te schrijven is dat een taak al dan niet lukte. De leerling krijgt op deze manier meer zicht op de aspecten die een rol spelen bij de taakuitvoering en zal leren een reële inschatting te maken van zijn of haar vaardigheden en aldus leren een reëel zelfbeeld te ontwikkelen.

     
  • Behoefte aan kennis over de eigen prestaties

    Tijdens het maken van hun werk en het uitvoeren van opdrachten hebben zij behoefte aan veel informatie van de leerkracht. Zij willen van een ander weten of zij op de goede weg zijn en of hun prestaties van voldoende niveau zijn. Als leerkracht kun je afspreken met het kind om na de uitleg nog even naar het kind toe te gaan. Geleidelijk wordt dit steeds minder, zodat het kind op een gegeven moment zelfstandig aan de slag kan gaan . Ook is het heel belangrijk om als leerkracht steeds rond te lopen om de leerlingen feedback te geven. Ik liep regelmatig rond in de klas om te kijken of de leerlingen de opdracht goed of fout uitvoerden. Het kind weet nu waar het aan toe is. Het is het meest doeltreffend wanneer de feedback snel gegeven wordt, specifiek en duidelijk is. Als een kind een schriftelijke rekenopdracht moet uitvoeren, dan moet de leerkracht direct na het begin ervan een opmerking maken zoals: "goed zo, ga zo door."Of: "dat heb je netjes gedaan, ga maar verder."Of: "hé, kijk eens goed, dat is niet juist. Kijk nog eens naar dat plaatje." Kijken en knikken werkt vaak ook al stimulerend. Het is niet de bedoeling dat het kind pas na afloop van een taak hoort hoe hij of zij het eraf heeft gebracht.

     
  • Behoefte aan positieve verwachtingen

    Faalangstige leerlingen zijn zeer gevoelig voor het uitspreken van positieve verwachtingen, die anderen hebben over hun prestaties. Negatieve verwachtingen die door leerkrachten worden uitgesproken, maken hen zeer onzeker. Probeer het kind bij een opdracht aan te spreken met woorden zoals: "Ik weet zeker dat jij dat goed kan." Dus niet: "Oh nee, dat is te moeilijk, dat kun jij niet." Ook al is het niet voor honderd procent zeker dat het kind het kan, geef het kind wel het vertrouwen. Achteraf kan altijd nog gezegd worden: "Was het moeilijk? O, maar dat heb je wel goed gedaan!"

     
  • Behoefte aan het centraal stellen van het ontwikkelingsproces (en niet het gewenste resultaat)

Leerkrachten kunnen de ontwikkeling van een positief zelfbeeld van leerlingen bevorderen door niet het gewenste resultaat centraal te stellen, maar het ontwikkelingsproces dat kinderen doormaken. Een aantal suggesties en voorbeelden uit de praktijk:

  1. Maak regelmatig opmerkingen als: "Prima, je hebt je les beter gemaakt dan gister." En: " Tien van de twintig sommen waren goed, je bent op de goede weg. Zullen we er samen eens proberen achter te komen, wat er bij de foute sommen mis ging?"
  2. Besteed regelmatig aandacht aan de emotionele aspecten van het schoolwerk: "Ben je teleurgesteld nu je het niet zo goed gedaan hebt als je eerst dacht?"Meer dan de helft goed! Ben je niet reuze trots? "
  3. Probeer elk kind te laten ervaren: "ik hoor erbij, ik tel ook mee." Het zit hem vaak in de kleine dingen, bijvoorbeeld:
    • Bezoek zieke kinderen of schrijf ze een briefje
    • Vraag kinderen om hun mening
    • Laat merken dat je een leerling opgemerkt hebt (opmerking,knipoog); - Gebruik zoveel mogelijk de ideeën van kinderen en noem daarbij de bedenker van het idee bij name
  4. Benadruk in berichten naar huis (rapporten) en in gesprekken met ouders vooral ook de vorderingen en positieve kanten van het kind.

Leren fouten maken

Kinderen met faalangst zijn heel gevoelig voor negatieve opmerkingen en ze leven vaak met de gedachte dat mislukken niet mag. Iets niet kunnen kan en mag niet in hun ogen. Ze hebben het idee dat als ze fouten maken falen. Falen is persoonsgebonden, emotioneel geladen. Als je faalt ga je af, je valt door de mand. Fouten maken is objectiever. De fout maakt (of breekt) de leerling niet. Het kind moet het idee krijgen dat het de persoonlijkheid niet raakt en je er niet minder om bent als je fouten maakt. Ook ik heb in de klas de kinderen het niet al te makkelijk gemaakt. Als de kinderen bijvoorbeeld aan een samenwerkingsopdracht beginnen, geef ik niet meteen hulp. Laat ze maar even ploeteren. Op deze manier leren ze ook wat ze wel en niet aan kunnen. De leerkracht kan de leerling dus (geleidelijk) leren fouten maken. Het kind ervaart dan dat het bij leren hoort.

Wat kunnen ouders doen?

Ouders en leerkrachten kunnen samen praten en er kan samen naar een oplossing worden gezocht. Meike Huber en Meriam v.d Sloot geven een aantal tips voor ouders, waar ouders zeker wat aan kunnen hebben:

  • Iets niet kunnen is menselijk. Fouten maken mag!
  • Als vader eens vertelt dat het vandaag op het werk niet zo lekker liep en moeder aangeeft dat ze een afspraak heeft gemist, kan dit voor een faalangstig kind een hele verademing zijn
  • Zoek een evenwicht tussen positief en negatief gedrag. In plaats van: "je hebt alweer je fiets niet weggezet", kan de opdracht ook zijn: "Ga je fiets wegzetten"
  • Geef het kind ook de ruimte om fouten te maken, neem niet alle struikelblokken weg
  • Bied spelenderwijs situaties aan waarin het kind mogelijk faalt (of denkt te falen) en leer hem/ haar ermee omgaan
  •  
    • Stimuleer het kind om trots te zijn op haar of zijn prestaties.

    Als ouders en leerkrachten beiden achter het probleem en de begeleiding staan bevordert dit een goede ontwikkeling van het faalangstige kind.

    Terug naar begin

     

    Bronnen:


    Sylvia Lodder

    © Copyrighted by Jeb

CLB GO! Genk-Maasland